Tarragrond Tynaarlo, de deskstudie werd besproken.

Vries, 21 maart 2017.

In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat de meerderheid van de raad van Tynaarlo van mening is dat de NS als eigenaar van het terrein, er alsnog voor moet zorgen dat het beloofde park voor Tynaarlo gerealiseerd gaat worden.

De beste oplossing.

De beste en snelste oplossing waarop dit bereikt kan worden, is het verwijderen van de tarragrond en dit vervolgens te vervangen door schone grond. Dit is echter ook de duurste oplossing, een schatting spreekt over 3 miljoen.

De op een na beste oplossing.

Een tweede optie zou volgens Wageningen Environmental research (onderdeel van Wageningen University & research) kunnen zijn om de grond door aangepaste beplanting op natuurlijke wijze te laten zuiveren. Na vijf jaar kan er dan worden gekeken of het zuiveringsproces zo ver is dat er een normaal park aangelegd kan worden.

Achtergrond

Op de NS locatie De Zanderij te Tynaarlo heeft sanering van de vervuilde grond plaatsgevonden, waarvoor door de provincie Drenthe een saneringsbeschikking is afgegeven aan de eigenaar van de grond (SBNS). Bij deze sanering is gebruik gemaakt van tarragrond, hierdoor was er vervolgens sprake van behoorlijke geuroverlast of beter gezegd stank en het afsterven van de aangeplante begroeiing.

Meermaals kwam het onderwerp tarragrond in de gemeenteraad ter sprake.

In de raad van 2 februari 2016 is het onderwerp tarragrond Tynaarlo aan de orde geweest en heeft de raad ingestemd met het laten uitvoeren van een deskstudy door een onafhankelijke 3e partij waarbij college en gemeenteraad tezamen de opdracht tot deze deskstudy zouden formuleren. Daartoe is een raadswerkgroep tarragrond ingesteld, bestaande uit leden van de gemeenteraad en het college met ambtelijke ondersteuning. Vervolgens heeft deze raadswerkgroep de deskstudy en de opdrachtformulering voorbereid.

Opdracht formulering.

Deze opdrachtformulering luidde als volgt:

  1. Wat zijn de uitgangspunten en doelstellingen voor de leeflaag volgens de saneringsbeschikking van het bevoegd gezag, de provincie Drenthe?
  2. Zijn deze uitgangspunten en doelstellingen voor wat betreft de leeflaag gehaald?
  3. Is het bestuurlijk proces rond de vergunningverlening en evaluatie van de sanering, met betrekking tot volgorde, verantwoordelijkheden en rollen, correct verlopen?
  4. Kan op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten ingeschat worden hoe de concentraties cresolen, tolueen, fenolen en methaan die zich momenteel in de leeflaag op de genoemde locatie bevinden, in de tijd verlopen?

Omdat het een deskstudy betrof zijn geen aanvullende onderzoeken verricht. Bestaande dossiers en documenten zijn bij deze deskstudy betrokken. De raadswerkgroep heeft 2 onafhankelijke bureaus benaderd voor het uitvoeren van het onderzoek, te weten: de AnteaGroup uit Heerenveen (voor de beantwoording van vragen 1 t/m 3) en Wageningen Environmental research (onderdeel van Wageningen University & research) voor een antwoord op vraag 4.

Bevindingen.

De belangrijkste bevindingen

Op basis van de deskstudy wordt uit de ter beschikking gestelde documenten het volgende geconcludeerd.

  1. De milieu hygiënische kwaliteit van de leeflaag op de NS locatie De Zanderij alleen maar voldoet omdat voor tarragrond voor bepaalde stoffen een uitzondering wordt gemaakt (Besluit bodemkwaliteit). Voor tarragrond worden de stoffen tolueen, creosolen en fenolen buiten beschouwing gelaten. De toegepaste grond is op basis van het Besluit bodemkwaliteit als schone grond te beoordelen en voldoet milieu hygiënisch gezien aan de gestelde eisen.
  2. Er zijn door gemeente en het provinciaal bestuur geen eisen gesteld ten aanzien van de fysische kwaliteit (bijvoorbeeld geur) of cultuurtechnische eigenschappen met betrekking tot de bodemgeschiktheid voor onder meer het planten van bomen.
  3. Er zijn voor zover beoordeeld kan worden door de opdrachtgever en de aannemer geen verwijtbare juridische fouten gemaakt met betrekking tot de toepassing van tarragrond in de leeflaag op deze saneringslocatie.
  4. Op basis van de huidige situatie zal het lang duren voordat concentraties (cresolen, tolueen, fenolen en methaan) gaan dalen. Voor bepaalde boomsoorten (berk) is de bodem zeer nat en er is plasvorming, wat zorgt voor blijvende anaerobie. De ontwatering is slecht en veranderingen zullen zeer langzaam gaan en verloop van de concentraties is op korte termijn niet te verwachten. Vegetatie die goed groeit in de heersende natte omstandigheden en dieper wortelt zijn wilg, els en riet. De wortelgroei en de verdamping zal zorgen voor een meer aerobe structuur en dit zal zeker in de leeflaag zorgen voor het mogelijk verdwijnen van cresolen, tolueen fenolen en methaan. De aerobe leeflaag zal langzaam dikker worden en ingeschat wordt dat op dit moment het grootste deel van het gebied begroeid is met wilgen, els en riet al vrij wordt van vrije vetzuren, cresolen, tolueen fenolen en methaan in de bovenlaag.
  5. Geadviseerd wordt om in plaats van monitoring, pro actief te zijn en te stimuleren dat de condities op de locatie zodanig gaan veranderen dat de anaerobie grotendeels zal gaan verdwijnen.
  6. Geadviseerd wordt om gebruik te maken van vegetatie die hoort bij de lokale natte condities (wilg, els en riet) en het ontwerp van de locatie hier op aan te passen.
  7. Afvoer van water om plassen te voorkomen op de locatie via begreppeling zal de aeratie kunnen bespoedigen en het water oppervlakkig afvoeren richting het oppervlaktewater.
  8. De aanwezigheid van plassen staat verblijfsrecreatie in de weg. Picknickbanken plaatsen op lichte verhogingen die droog blijven
  9. Omwoelen/opensnijden van de bovengrond met een woelpoot (1- tand) te gebruiken om de ontwatering te verbeteren. Nadeel hiervan is dat dit zal zorgen voor stankoverlast. In combinatie met herbeplanting zou dit in een klein deel kunnen worden toegepast.

Beide onderzoeken laten zien dat er geen juridische onrechtmatigheden in het proces rondom de sanering hebben plaatsgevonden. Ook de sanering zelf is in overeenstemming met de daarvoor geldende regels en uitgangspunten, zo blijkt uit de antwoorden op de onderzoeksvragen. Belangrijk in het verdere proces is het zoeken van de dialoog met de eigenaar over de inrichting en het beheer van het betreffende terrein zodat tegemoet kan worden gekomen aan de wensen in de woonomgeving en dat de problemen en bezwaren die worden ervaren, weggenomen worden.

Conclusies van de werkgroep.

De werkgroep komt op basis van de uitgebrachte deskstudy tot de volgende conclusies:

  1. Signalen vanuit de raad en bevolking zijn onvoldoende op waarde geschat.
  2. De werkgroep heeft geconstateerd dat er een niet controleerbare onzekerheid is aangetroffen, uit de stukken blijkt namelijk niet dat er slechts 1 partij grond is toegepast zoals het bestek aangeeft.
  3. De werkgroep concludeert voorts dat uit de gegevens blijkt dat er sprake is van stank; de tarragrond ruikt naar boterzuur. De werkgroep is van mening dat de grondeigenaar hierin zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid jegens de gemeenschap van Tynaarlo zou moeten nemen om deze stankoverlast en overige problemen (terrein is te nat en structuur voor worteling is slecht) de komende jaren weg te nemen.
  4. De werkgroep is van mening dat er maar één adequate manier is om van alle problemen af te komen en wel afgraven en afvoeren van de tarragrond, maar ziet in dat dit juridisch niet afdwingbaar is en naar verwachting zeer hoge kosten met zich meebrengt. De eigenaren van de grond hebben verkeerde verwachtingen gewekt richting de bewoners in de omgeving, verwachtingen die niet waargemaakt konden en kunnen worden.
  5. De werkgroep stelt voor om in overleg met de eigenaar van de grond een park aan te leggen dat functioneel en levensvatbaar is en daarbij in eerste instantie boom- en struiksoorten te planten die bestand zijn en kunnen groeien op een natte ondergrond. Verder is de werkgroep van mening dat begreppeling kan zorgen voor afvoer van overtollig regenwater en oppervlaktewater, wat de structuur van de grond verbeterd. Op basis van die verbetering kan het park definitief worden ingericht met geschikte boom- en plantensoorten. Activiteiten in de bovengrond (begreppelen en aanplant) kunnen aanleiding geven tot nieuwe kortdurende stankoverlast. Aanbevolen wordt dat de eigenaar van de grond daarover een beheersovereenkomst sluit met een deskundig bedrijf waardoor de stankoverlast zoveel mogelijk wordt beperkt.
  6. De werkgroep stelt voor een resultaatverplichting t.a.v. bovenstaande voorwaarden voor een periode van 5 jaren hieraan te koppelen.

Voorstel werkgroep aan gemeenteraad.

De werkgroep stelt de gemeenteraad voor om de rapporten in de raad te bespreken en het college te verzoeken om in overleg met de eigenaar van de grond de conclusies en aanbevelingen zoals opgenomen in de rapporten te bespreken en uit te laten voeren en de raad over de ontwikkelingen periodiek op de hoogte te stellen.

Het besluit.

De Gemeenteraad beslist tijdens de Raadsvergadering op dinsdag 4 april over deze zaak.